Het verhaal van het potlood:

Een jongetje keek naar zijn oma die een brief aan het schrijven was. Op een gegeven moment vroeg hij: Oma, schrijf je een verhaaltje over wat wij samen hebben meegemaakt? Of schrijf je misschien een verhaaltje over mij? Zijn oma stopte met haar brief, glimlachte, en zei: Ik schrijf inderdaad over jou. Maar belangrijker dan de woordjes die ik schrijf, is het potlood waarmee ik schrijf. Ik zou willen dat je later, als je groot bent, net zoals dit potlood wordt. Het jongetje keek nieuwsgierig naar het potlood, maar kon niets bijzonders ontdekken. Maar het is gewoon maar een potlood! Het is maar hoe je er naar kijkt. Het potlood heeft vijf bijzondere dingen die jou – maar dan moet je ze wel onthouden- tot iemand zullen maken die altijd in vrede met de wereld zal leven… Ten eerste: Je zult misschien grootse daden verrichten, maar je mag nooit vergeten dat er een hand is die jou leidt. Deze hand noemen we God, en hij zal je altijd leiden volgens zijn wil. Ten tweede: Af en toe moet je stoppen met schrijven, om de punt te slijpen. Daardoor heeft het potlood een beetje pijn, maar het wordt er wel scherper van. Dus moet je wat pijn kunnen verdragen, het maakt je tot een beter mens. Ten derde: Als je met een potlood schrijft, kun je altijd uitgummen wat je fout schreef. De les is dat corrigeren wat we gedaan hebben niet slecht is, maar belangrijk, om rechtvaardig door het leven te kunnen gaan. Ten vierde: Het belangrijkste van het potlood is niet het hout of de buitenkant, maar het grafiet dat erin zit. Dus wees steeds bezorgd om wat er binnen in je gebeurt. Ten slotte, het vijfde wat een potlood bijzonder maakt: het laat altijd een spoor achter. Besef goed dat alles wat je in je leven doet, sporen zal achterlaten en probeer je daar bewust van te zijn.

Paulo Coelho uit het boek “Als een rivier” 2006


Het gebed dat verhoord werd.

Ik vroeg om kracht
en God gaf me moeilijkheden om me sterk te maken.

Ik vroeg om wijsheid
en God gaf me problemen om te leren op te lossen.

Ik vroeg om voorspoed
en God gaf me verstand en spierkracht om mee te werken.

Ik vroeg om moed
en God gaf me gevaren om te overwinnen.

Ik vroeg om liefde
en God gaf me mensen om te helpen.

Ik vroeg om gunsten
en God gaf me kansen.

Ik ontving niets van wat ik vroeg
Ik ontving alles wat ik nodig had.


De Dauwdruppel

Bij een grote dauwdruppel liet de oude meester halt houden. Hij schaarde zijn leerlingen zodanig rondom de druppel dat de zon erop bleef schijnen en vroeg hen welke kleur de druppel had.

“Rood,” zei de eerste.
“Oranje,” zei de tweede.
“Geel,” zei de derde.
“Groen,” zei de vierde.
“Blauw,” zei de vijfde.
“Paars,” zei de zesde.
“Violet,” zei de zevende…..

Ze stonden verbaasd over de verschillen en omdat ze allemaal zeker waren van de kleur die de druppel had, ontstond er bijna ruzie. Toen liet de oude meester hen enige keren van plaats wisselen. En heel langzaam drong het tot hen door dat, ondanks de verschillen in hun waarneming, ze toch allemaal de waarheid hadden gesproken.

Nadat er zo enige tijd verstreken was, liet de oude meester hen weer hun oorspronkelijke plek innemen. Maar omdat intussen de zon gedraaid was, kaatsten er weer heel andere kleuren terug vanaf de grote dauwdruppel. En de meester sprak:

“Hoe u de waarheid ziet, hangt af van de plaats en de tijd die u in het leven inneemt, zoals u daarnet een deel van het licht hebt gezien en dat voor de waarheid aanzag…

Laat uw medemensen in volle vrijheid hun eigen weg bewandelen, hun eigen plaats innemen en hun eigen deel van het licht waarnemen. U heeft allemaal waarheden nodig, want alle tezamen vormen zij het werkelijke spectrum als geheel; de volle waarheid…

Tot u zelf een van de groten bent geworden en de zeven kleuren als één kunt waarnemen, zal ieder afhankelijk van zijn situatie een ander standpunt innemen en de waarheid op een andere manier zien…

Wees daarom niet alleen tolerant, want dat is slechts het duiden van andermans mening, maar wees zelfs blij dat er andere meningen zijn. Zolang u zelf nog niet het volle licht kunt zien, heeft u uw medemens als medeleerling nodig om de volle waarheid te leren kennen.”


De Brillenverkoper.

Er stond een brillenverkoper op de jaarmarkt met een grote kraam.

Er waren allerlei soorten: hele chique met edelstenen en diamanten versierd. Ze wogen zwaar op de neus en de glazen waren donker gekleurd zoals bij de filmsterren. Al zijn brillen lager er tentoon en de mensen mochten uitkiezen.

Met zo’n bril was het zicht heel beperkt, zeker als het donker werd. Je zag alleen je eigen omgeving en je eigen spullen. En voor de rest bleef alles vaag en somber. De mensen die zo’n bril droegen, keken altijd heel bezorgd. Ze waren een beetje wantrouwig en altijd doodernstig.

Er waren ook van die sterke brillen, staalhard en onverslijtbaar. Daarmee kon je alles in zwart-wit zien: héél scherp: het één of het ander. Tijdens een voetbalmatch zag je dan alleen de fouten van de tegenpartij en de goeie zetten van je eigen favoriete club. En als je ermee naar de mensen keek, zag je ofwel vrienden ofwel vijanden. Het verschil was heel duidelijk. Geen twijfel mogelijk.

Er waren ook moderne brillen in de vorm van tv-schermen. Daarmee verloor je elke kijk van de werkelijkheid om je heen. Je zag een andere wereld die anderen voor je in elkaar gestoken hadden. Je leefde om zo te zeggen, in een droomwereld. Er waren veel liefhebbers voor zo’n bril.

En dan was er nog een brilletje. Je zag het bijna niet liggen, een brilletje van niemendal. Er waren weinig mensen die het durfden opzetten. De meesten haalden er hun neus voor op en gingen eraan voorbij….

En toch,……hadden ze zich de moeite getroost dat brilletje eens op te zetten en te kijken….zij zouden opgetogen geweest zijn. Dat brilletje van niemendal maakte alles anders. Je kijkt veel verder en toch wordt alles zo innig, alsof je overal thuis bent. En als je ermee naar een zonsondergang kijkt, krijg je zin om te bidden….. Dan denk je: “Achter die dingen moet God wonen, die ons allemaal ontzettend lief heeft…”

Het is het brilletje van het ‘met andere ogen’ naar de wereld kijken.

Weet je, de brillenman staat niet meer op de markt, want alle mensen hebben zich al lang een bril aangemeten. Ze hebben er zich maar één uitgezocht naar eigen smaak. En het is niet gemakkelijk om van bril te veranderen.

Misschien gaat dat wel als we aan elkaar durven vertellen hoe we het allemaal zien, als we naar elkaar kunnen luisteren en dan ontdekken dat onze bril niet altijd de beste is.

Wat is geluk?

Er was eens een boer die in een arm plattelandsdorpje woonde. De boer werd als iemand in goeden doen beschouwd, want hij had een paard dat hij gebruikte om mee te ploegen en ook om er allerlei dingen mee te vervoeren. Op een dag ging zijn paard ervandoor. Alle buren vonden dit vreselijk, maar de boer zei alleen maar; “Ach wat is pech en wat is geluk”.

Een paar dagen later kwam het paard terug en bracht ook nog twee wilde paarden mee. De buren vonden allemaal dat hij geweldig geluk had gehad, maar de boer zei alleen: “Ach, wat is geluk en wat is pech”.

De volgende dag probeerde de zoon van de boer op één van de wilde paarden te rijden. Het paard wierp hem af en de zoon brak een been. De buren boden hun medeleven aan met deze tegenspoed, maar de boer zei opnieuw: “Ach, wat is pech en wat is geluk”.

Een week later kwamen er militairen naar het dorp om jonge mannen te rekruteren voor de verplichte krijgsdienst. De zoon van de boer wilden ze niet hebben vanwege zijn gebroken been. Toen de buren lieten weten dat hij toch wel geluk had gehad, antwoordde de boer: “Ach wat is geluk en wat is pech”.

De moraal, geluk is niet afhankelijk van externe omstandigheden maar hoe je er zelf mee omgaat.

De buschauffeur.

(Een kerstverhaal voor volwassenen)

“Twee maal twee strippen”, zegt de jonge vrouw tegen de chauffeur. Ze gaat vlak achter hem zitten. Op de plaats naast haar zet ze een grote tas. De chauffeur draait zich om en fluistert: “Gaat u weer wat wandelen in het park”? “Ja”, antwoordt zij, “we willen nog even samen wat genieten van het mooie weer.” De chauffeur glimlacht en wenst haar een fijne middag toe. Bijna wekelijks ziet hij haar nu weer. In de afgelopen drie jaar heeft hij haar enkele maanden gemist.

In de periode daarvoor was ze één van zijn vaste passagiers. Samen met haar ziekelijke dochtertje ging ze wel drie maal per week naar dat park.

Totdat….

Nooit vraagt hij nu voor wie die andere twee strippen zijn. De onzichtbare gast is immers aanwezig. Toch begrijpt niet iedereen dat een lege plaats bezet kan zijn. Dat heeft ze ervaren. Die ene chauffeur wel.  Als  ze tot zijn passagiers behoort, houdt hij, in het spiegeltje boven zijn hoofd, haar goed in het oog. Als het nodig is, roept hij: ”Die plaats is gereserveerd”. En zijn stem duldt duidelijk geen tegenspraak. Zoveel begrip als van hem, ervaart ze niet dikwijls.  De meeste mensen zeggen: “dat  dochtertje van haar is immers al twee jaar dood”. Hij niet.

Hij verkocht haar al meer dan 100 maal twee strippen. Daarvoor heeft ze hem onlangs onderscheiden. Met woorden van goud. Heel langzaam zei ze bij het uitstappen: “U bent een beetje van God….”

Vanaf die dag heeft hij een geheim begrepen. Hij heeft geen engelen gehoord en ook geen ster gezien. Toch weet hij nu waar de Zoon van God gevonden kan worden.

(Vrij naar Lize Stilma, “Ik maak de wind”)