Ik zit hier vóór U, Heer,

rechtop en ontspannen met rechte ruggengraat.

Ik laat mijn gewicht

loodrecht door mijn lichaam zinken,

naar de grond waar ik op zit.

Ik houd mijn geest vast in mijn lichaam.

Ik weersta de drang om door het raam

naar een andere plek dan hier uit te wijken,

naar voren of naar achteren-in-de-tijd uit te wijken,

om maar aan het hier-en-nu te ontkomen.

Zacht en vastberaden houd ik mijn geest dáár vast,

waar mijn lichaam is: hier in deze ruimte.

In dit nu, op dit ogenblik, laat ik al mijn plannen,

zorgen en angsten los.

Ik leg ze nu in Uw handen, Heer.

Ik laat de greep, waarmee ik ze vasthoud, los

en laat ze aan U over.

Voor het moment vertrouw ik ze U toe.

U komt op mij toe en ik laat mij door U dragen.

Ik wacht op U, vol verwachting.

Ik begin de reis naar binnen.

Ik reis in mij naar binnen toe,

naar de binnenste kern van mijn zijn,

waar U woont.

In dit diepste punt van mijn wezen

was U er altijd al, vóór ik er was.

Het is dáár waar Gij schept en levend maakt

en zonder ophouden mijn hele persoon sterkt.

God, U leeft, U bent in mij.

U bent hier, U bent er nu, U bent.

U bent de grond van mijn zijn.

Ik laat U los, ik verzink in U.

U overstroomt mijn wezen, U neemt bezit van mij.

Ik laat mijn adem gaan naar dit gebied van overgave aan U.

Mijn adem, mijn in- en uitademen,

is uitdrukking van mijn ganse wezen.

Ik doe het voor U,

met U,

in U.

Wij ademen samen, met elkaar.